inlog wobsite leden

HRM-ondersteuning / Werkkostenregeling / Uitleg Weekers over fiets in werkkostenregeling

Uitleg Weekers over fiets in werkkostenregeling

Staatssecretaris van Financiën Weekers heeft in een brief van 12 november 2010 uitleg gegeven over de fiscale fietsfaciliteiten. Hij stelt dat de vrijstelling voor het gebruik van de fiets voor zakelijke reizen (waaronder woon-werkverkeer) van 0,19 euro per afgelegde kilometer als afzonderlijke vrijstelling onder de werkkostenregeling in stand blijft. Zie voor uitleg de tekst hieronder.


Fiscale fietsfaciliteiten
Zoals toegezegd aan mevrouw Neppérus worden hierna de fiscale fietsfaciliteiten uiteengezet.

Algemeen
Op hoofdlijnen zijn er twee fiscale regelingen voor de fiets in de loonsfeer, die het gebruik dan wel de aanschaf stimuleren. Hierna worden deze mogelijkheden toegelicht. Daarbij wordt onderscheid gemaakt naar hetgeen onder de huidige regelgeving respectievelijk onder de werkkostenregeling mogelijk is. Enige voorbeelden zijn ter illustratie toegevoegd. Het regime van vrije vergoedingen en

verstrekkingen en daarmee de huidige fietsregeling geldt tot 2011. Daarna geldt de werkkostenregeling. Gedurende drie jaar geldt echter een overgangsregime. De werkgever kan in die periode jaarlijks kiezen of hij het regime van vrije vergoedingen en verstrekkingen of de werkkostenregeling toepast.
 
Voorafgaand aan de omschrijving van de fiscale regelingen voor de fiets ga ik in op de relatie met cafetariaregelingen en het EIM-rapport met betrekking tot de fiets. Met name de aanschafregeling wordt thans door werkgevers veelal vanuit een cafetariaregeling aangeboden. Ook het “opplussen” van een woonwerkvergoeding tot het maximum van € 0,19 per km binnen een cafetariaregeling is niet ongebruikelijk. Men spreekt van een cafetariaregeling wanneer een werknemer een keuze kan maken met betrekking tot de vorm van de te genieten beloning.
 
Cafetariaregelingen voorzien in het algemeen in een ruil van belaste loonbestanddelen met andere loonbestanddelen die geheel of gedeeltelijk zijn vrijgesteld of waarvoor een lagere waardering dan waarde in het economische verkeer geldt. Een bijzondere vorm van ruil is die waarbij de werknemer ADVdagen of vakantiedagen ruilt. Populair gezegd betaalt de werknemer in een
cafetariaregeling zelf de vergoeding of verstrekking vanuit zijn brutoloon en heeft hij zo een belastingvoordeel. Voor werkgevers vormt een cafetariaregeling een afweging tussen extra administratieve lasten en mogelijk een vermindering van de premies werknemersverzekeringen door verlaging van het brutoloon. De voorwaarden waaronder een cafetariasysteem is toegestaan, zijn uitgewerkt in een beleidsbesluit.11 In de voorbeelden hieronder wordt eveneens aandacht
geschonken aan de cafetariasystematiek.
 
Uit het EIM-onderzoek12 blijkt dat 12% van de werkgevers de aanschaf van een fiscaal gefacilieerde fiets aanbiedt en dat zo’n 5% van de werknemers hiervan gebruik maakt. Van de mogelijkheid om een kilometervergoeding aan te bieden respectievelijk te ontvangen voor woonwerkverkeer maken zo’n 60% van de werkgevers en 26% van de werknemers gebruik. Deze kilometervergoeding geldt
ongeacht het vervoermiddel. De budgettaire last van de aanschafregeling bedraagt € 81 mln. Van de kilometervergoeding voor de fiets zijn vanwege het ontbreken van enige differentiatie naar vervoermiddel geen cijfers bekend.
 
Huidige regime
Ter stimulering van het gebruik van een fiets mag een werkgever een werknemer voor zakelijke reizen met de fiets een onbelaste vergoeding van € 0,19 per afgelegde kilometer geven. Deze onbelaste vergoeding geldt ook voor woonwerkverkeer of een gedeelte daarvan, bijvoorbeeld naar het station. Hierbij wordt opgemerkt dat deze zakelijke kilometervergoeding geldt ongeacht de wijze van vervoer. Als de werkgever het fietsgebruik wil stimuleren dan kan hij dit doen door alleen fietskilometers te vergoeden.
 
Een werkgever kan de aanschaf van een fiets voor zakelijk gebruik stimuleren door gebruik te maken van de zogenoemde fietsregeling. Deze fietsregeling maakt het mogelijk eens in de drie jaar een fiets onbelast te vergoeden of verstrekken, met een maximum van € 749. De werknemer moet wel op meer dan de helft van het aantal dagen dat hij pleegt te reizen in het kader van woon-werkverkeer de fiets gebruiken. Voor zover de fiets duurder is dan € 749, is het meerdere belast bij de werknemer.
 
De fietsregeling kan ook worden toegepast voor een fiets met elektrische trapondersteuning. Een elektrische fiets of een elektrische scooter daarentegen valt niet onder de fietsregeling. Veelgehoorde klacht is dat deze regeling onvoldoende zou zijn voor de fiets met elektrische trapondersteuning die in het algemeen duurder is dan genoemde € 749. De werknemer is dan over het meerdere belasting verschuldigd is.
 
Een werkgever mag voorts maximaal € 82 per kalenderjaar onbelast vergoeden voor met de fiets samenhangende zaken, zoals bijvoorbeeld reparaties, een fietspak etc. (of deze zaken tot dat bedrag verstrekken). Daarnaast mag hij een fietsverzekering onbelast vergoeden of verstrekken. Biedt een werkgever een lening aan om een fiets aan te schaffen, dan geldt er ook een vrijstelling voor het rentevoordeel. Ook dit onderdeel van de regeling geldt niet voor een elektrische fiets of elektrische scooter.
 
Voorbeeld 1 (aanschaf):
De werkgever vergoedt een fiets van € 1500. De werknemer moet dan over € 751 belasting betalen. Tegen een marginaal tarief van 40% leidt dat tot een verschuldigde belasting van € 300. De werknemer betaalt uiteindelijk € 300 voor een fiets van € 1500. Binnen een cafetariaregeling,
waarbij brutoloon ter grootte van € 749 omgezet wordt in een onbelaste vergoeding, betaalt deze werknemer per saldo € 1200 voor zijn fiets.
 
Voorbeeld 2 (combinatie van aanschaf en gebruik):
De werknemer koopt een fiets met een lening van de werkgever. De werkgever verstrekt een kilometervergoeding van € 0,15 per kilometer voor woonwerkverkeer. De woon-werkafstand bedraagt 4 km, zodat de maandelijkse vaste vergoeding voor woonwerkverkeer € 21,40 bedraagt.
De lening wordt afgelost door de maandelijkse vaste vergoeding in te zetten voor aflossing van de lening. Bij een woon-werkafstand van 10 km bedraagt de maandelijkse vaste vergoeding van deze werkgever € 53,50 per maand. Een fietslening van € 1500 is dan in circa 2,5 jaar terugbetaald.
 
Werkkostenregeling
De vrijstelling voor het gebruik van de fiets voor zakelijke reizen (waaronder woon-werkverkeer) van € 0,19 per afgelegde kilometer blijft als afzonderlijke vrijstelling in stand.
 
De hiervoor beschreven fietsregeling (aanschaf) vervalt. Daarvoor in de plaats kan de werkgever zonder nadere normeringen en beperkingen een fiets vergoeden of verstrekken binnen de forfaitaire ruimte van 1,4% van de loonsom. Er worden geen nadere eisen gesteld aan de fiets. Het mag ook een elektrische fiets of elektrische scooter zijn. Voorts kan een werkgever zelf bijvoorbeeld de frequentie van verstrekken, de hoogte van de aanschaf, het type fiets, of de aard van het gebruik bepalen. Voortzetten van de vergoedingsregeling zoals de werkgever die
thans toepast kan uiteraard ook. Wel kunnen de fiscale gevolgen gewijzigd zijn.
 
Binnen de werkkostenregeling is het rentevoordeel van een personeelslening voor de aanschaf van een fiets, een elektrische fiets, of een elektrische scooter onder bepaalde voorwaarden onbelast. Dit is het geval als de werknemer op meer dan de helft van de dagen dit vervoermiddel geheel of gedeeltelijk gebruikt voor woonwerkverkeer. Er is sprake van een uitbreiding ten opzichte van de huidige vrijstelling van het rentevoordeel van leningen voor een fiets. De lening mag immers ook worden aangegaan voor aanschaf van een elektrische fiets of een elektrische scooter.
 
Voorbeeld 3 (aanschaf):
De werkgever vergoedt een (elektrische) fiets van € 1500. De kosten van de fiets brengt de werkgever ten laste van zijn forfaitaire ruimte, waardoor de werknemer geen bijdrage voor de aanschaf van de fiets hoeft te doen.
Bij toepassing van een cafetariaregeling kan € 1500 van het brutoloon van de werknemer worden omgezet in een vergoeding van € 1500 voor de aanschaf van een fiets. De aanschafkosten komen dan ten laste van de forfaitaire ruimte. Indien de forfaitaire ruimte voor vergoedingen en verstrekkingen niet wordt overschreden, vindt in beide situaties geen belastingheffing plaats.
 
Voorbeeld 4 (combinatie van aanschaf en gebruik):
De werknemer koopt een fiets met een lening van de werkgever. De werkgever verstrekt een kilometervergoeding van € 0,15 per kilometer voor woonwerkverkeer. De woon-werkafstand bedraagt 4 km, zodat de maandelijkse vaste vergoeding € 21,40 bedraagt. De lening wordt afgelost door de maandelijkse vaste vergoeding in te zetten voor aflossing van de lening. In deze variant gaat de aanschaf niet ten koste van de forfaitaire ruimte (immers betaald met een vrijgestelde vergoeding). Ook hier geldt dat een hogere aflossing met de kilometervergoeding mogelijk is naarmate de afgelegde woon-werkafstand groter is.
 
De motie Aptroot ziet op een soortgelijke regeling als genoemd in voorbeeld 4. Verschil is dat de regeling uit deze motie zou moeten worden geplaatst naast de mogelijkheden die de werkkostenregeling al biedt. Ten opzichte van het regime van vrije vergoedingen en verstrekkingen is al sprake van een versoepeling: het mag ook een elektrische fiets of elektrische scooter zijn, en er geldt geen maximum aanschafprijs.
 
Bedacht moet ook worden dat de werkkostenregeling de werkgever meer ruimte biedt om een eigen vergoedingenbeleid vorm te geven. De wetgever stelt meer vertrouwen in de keuzes die een werkgever binnen diens bedrijfsvoering maakt en treedt minder in de beoordeling van de zakelijkheid van die keuzes. Zo biedt de werkkostenregeling de werkgever ook meer fiscale ruimte om zelf een ‘groen beleid’ te hebben door bijvoorbeeld het fietsgebruik te stimuleren.
 
11 Besluit van 5 augustus 2009, nr. CPP2009/1458M, Stcrt. 2009, 12167.
12 Kamerstukken II 2009/10, 32130, nr. 3 (bijlage) 
E-mailadres

Wachtwoord
zoeken binnen de website